Ja, we maken het…

De maakbare samenleving was ooit een ideaal van vooral linkse politici. Wie die samenleving maakten was ook zonder twijfel: dezelfde politici. Toen dat te weinig opschoot en men toch door ging op dit pad werden ze regenten genoemd. Want mocht de bevolking ook zeggen hoe de samenleving gemaakt moest worden? De goede intenties werden verzwolgen in een storm van verzet en ongenoegen. Rechtse politici profiteerden gretig. Zij prezen de markt aan. Nou ja, de markt als middel om de samenleving te maken, maar natuurlijk werd het niet in zulke verwachtingsvolle termen gebracht. Nee het ging om efficiëntie, het ging om geld. Maar ook de markt faalde, juist op dat punt van efficiëntie. Althans, voor de consument werd het wel leuker, maar niet goedkoper. De invoering van de euro versterkte deze beleving. En de euro was juist de kroon op het marktdenken: heel Europa als een markt. Dus werd de kroon het symbool van nieuw verzet. En de bankencrisis hielp dat verzet onbedoeld een handje. Die hele crisis werkte redelijk ontnuchterend: ook de markt heeft niet het heil gebracht. Zeker nu er kosten bespaard moeten worden blijkt juist de markt een grillig dier dat zich moeilijk laat vangen.

Ontnuchtering dus. Of is het desillusie en desoriëntatie? Als je het kabinetsbeleid in ogenschouw neemt lijkt het daar wel op. Rutte verschuilt zich achter akkoorden die vooral bedoeld zijn om rust in de tent te bewaren. En voor het overige zijn het technische ingrepen en dito argumenten die het beleid kleuren. Maar er is meer (gelukkig).

De samenleving is niet maakbaar. De samenleving maakt zichzelf, is dan de logische omkering. De sociale media en alle andere digitale vindingen maken dat dit idee ook gestalte kan krijgen. Initiatieven tot activiteiten of het maken van communities zijn makkelijker geworden en gebeuren veelvuldiger. Zie de vele mensen die onlangs het bos door struinden om twee vermiste jongens te vinden. Dit deden zij echter niet omdat ze via sociale media over die kans vernamen, maar ook omdat ze het wilden. En dat is een combinatie die de maakbaarheid van onderop vorm geeft: het willen van burgers tot eigen activiteiten kan nu omdat de zelforganisatie ervan ook makkelijk is.

Dat is prachtig, maar de kiem tot een nieuwe illusie van maakbaarheid is er ook mee gelegd: we kunnen het zelf beter regelen. Waar in de staatsrechtelijke theorie de overheid ‘voor de burger werkt’, maar in praktijk de overheid de burgers vaak deze ervaring niet geeft, is nu de gedachte dat de burger samenwerkt met de overheid, als twee gelijkwaardige partners. Ook dit heeft zijn grenzen. In de sfeer van algemeen belang en in de sfeer van welke burgers wel en niet kunnen deelnemen aan de nieuwe vorm van zelforganisatie.

De overheid moet zichzelf definiëren. Dat gebeurt al lange tijd onvoldoende. De kwestie meer of minder overheid heeft er weinig mee van doen, meer of minder ambtenaren al helemaal niet. Hoe maakbaar is onze samenleving en welke verantwoordelijkheid neemt de overheid hierin? Dat zijn wezenlijke vragen die Rutte c.s. zou moeten oppakken.

Gerommel met de Raad

In de marge van de verkiezingen wordt er strijd gevoerd over verkleining van het aantal gemeenteraadsleden. Het kabinet Rutte wilde de raden met een kwart verkleinen. Dit is echter niet in een wetsvoorstel beland. De PvdA wil de raden met 10% verkleinen. De redenatie is dat in 2003 de raden per saldo gegroeid zijn toen wethouders niet langer deel uitmaakten van de gemeenteraad. Dit kwam door de dualisering van de gemeentelijke verhoudingen. Je zou kunnen denken: beetje trage reactie van de PvdA. En er zijn partijen die menen dat er niks hoeft te wijzigen. Bij die laatsten voel ik me het meest thuis.

De grootKrimpers (VVD, PVV (CDA laat het in haar programma onvermeld)) willen ‘gewoon’ een kleinere overheid. Die, volgens VVD, vooral bezig moet zijn regels af te schaffen. Ik gniffel altijd als ik dat altijd van een bewezen bestuurderspartij lees. Doe voor de aardigheid Stemwijzer of Kieskompas en zie hoeveel regels en verboden er door alle partijen opgevoerd worden.
De kleinKrimpers (PvdA) voeren een soort statistisch steekspel op met als doel..ja, met wat als doel eigenlijk? In ieder geval geeft het een argument dat ook zij de overheid verkleinen. Wat voordelig is voor een partij die vaak snel ervan wordt beschuldigd de overheid te laten groeien.

De neeKrimpers, ik hoop meerdere partijen maar ik heb het niet nagezocht, halen er hun schouders over op. Ik kwam Arie Slob van de ChristenUnie online tegen die zei ‘Alleen stevige raden kunnen hun controlerende taak goed uitoefenen.’ En dat is maar al te waar. De gemeenteraad heet dan in de wet het hoogste bestuursorgaan van een gemeente te zijn, de facto is het vooral een toezichthouder die….
O, u meneer Elzinga..nee, natuurlijk, de gemeenteraad geeft ook richting en praat over waarover de mensen praten. Maar, vergis ik mij nu echt zo erg of is controle toch echt de motor in elke raad? U gaat vast over veel onderwerpen, maar bij één onderwerp, dualisering wellicht, komen er extra energiestroompjes bij u los. Nou, zo werkt dat bij een gemeenteraad ook. Nee, geeft niet, ik ga gewoon door hoor.

En toezicht houden is al maar belangrijker geworden: op bedrijven, op samenwerkingsverbanden, op organisaties die overheidstaken uitvoeren en ook op het handelen van overheden zelf. De ene wet is nog niet gedecentraliseerd of de volgende hangt in de carroussel al te wachten.
Zeker, ik weet ook dat toezicht geen kwestie is van meer en meer toezichthouders. Het gaat ook om de kwaliteit van hun werk. En de grootKrimpers en kleinKrimpers waren al beter bezig geweest als ze daar iets over gezegd hadden. Bijvoorbeeld: ‘We voegen een budget aan het gemeentefonds toe dat gelabeld is om de kwaliteit van de gemeenteraden te vergroten. Die kwaliteit is samenwerking en het vermogen tot onderzoek te versterken.’ En hoe, dat mocht elke gemeenteraad zelf invullen.
Ah, mevrouw Spies..pardon, minister Spies, dat bent u natuurlijk nog even. U heeft dat geld niet? Nou ja, dat verbaast me niet. Maar moeten we het debat niet voeren over wat we van raden vragen en verwachten? U was laatst wel erg gemakkelijk voor de krimp en dat het zonder negatieve gevolgen zou blijven. O, u heeft het druk? Lastig altijd he, in verkiezingstijd doet het debat er toe en dan hebben politici het juist te druk. Nee, u bent vooral minister, tuurlijk..ja, dag hoor, daaag.

Wat ik vrees als drijfveer bij de groot- en kleinKrimpers is symboolwerking. Politiek is soms symbolisch, dat kan heel terecht zijn, maar ik zou het niet met dit onderdeel van ons staatsbestel doen. Nog met enig ander onderdeel trouwens. Het heeft toch wat weg van een oproep minder drop te eten om het gebit gezond te houden en tegelijk tijdens een verkiezingscampagne met lollies te strooien. En die campagnes vinden steeds korter op elkaar plaats, weten we.. Het resultaat is een trage en gestage rotting in de bek van de democratie: er wordt minder gezegd wat wel echt gezegd moet worden en minder vaak gebeten waar verbetenheid op zijn plek is.

Dat is de hoofdlijn. De geliefde hoofdlijn waar Elzinga en Spies hun model van de ideale gemeenteraad graag op vastlijmen. Maar de charme en het karakter van en lokale vertegenwoordiging is nu juist het oog en oor voor details. Daarin schuilt ook de herkenbaarheid als vertegenwoordiger. Lokale partijen zijn niet voor niets al decennia zo populair. Krimp leidt tot oogkleppen en oordoppen bij de raden. Spies beargumenteert dat als je je beperkt tot de hoofdlijnen je met minder raadsleden toe kan. Ik denk dat het andersom ligt: haar krimp dwingt de raadsleden tot hoofdlijnen en belemmert hun rol als raadslid volwaardig uit te voeren.

Rommel niet met de Raden, het leidt alleen maar tot rommel.

Steden bouwen

Het programma Tegenlicht bood gisteravond (wederom) een boeiende documentaire. Het ging over de stad van de toekomst. Dat klinkt als ver weg, maar zeker bij stedenbouw en planologie is toekomst een betrekkelijk onmogelijk begrip. Er komen bij stedenbouw zo veel trends en ontwikkelingen samen dat regressie, progressie, evolutie en spurt, elkaar in een bonte potpourri gezelschap houden. Waar begint dan precies de toekomst?

Gaandeweg de uitzending kwamen er twee opvattingen tegenover elkaar te staan. Een uit Zweden, door Ikea gefinancierde onderneming (Landprop) streeft het ideaal van de maakbare gemeenschap na. Stedebouw houdt bij de Ikeanen niet op als de laatste steen is gelegd. In hun visie blijft de stedebouwer de gehele levensduur van het onroerend goed verantwoordelijk voor de gemeenschap die er gebruik van maakt.

De auteur van Arrival City (Trek naar de Stad), Doug Saunders, betoogde juist dat planning en regelgeving gematigd moet worden en stedenbouwers en overheden een mate van anarchie moeten accepteren. Hij onderbouwde die opvatting met enkele herkenbare opmerkingen. Zoals dat de wijken die in de jaren vijftig en zestig zijn gebouwd, gekenmerkt worden door (zijn woorden) ‘akelige groene grasvelden’ en geen ontmoeting, geen informatie-uitwisseling, geen handel et cetera faciliteren. Zijn ideaal is een stad waar je zo veel met elkaar te maken hebt dat er vanzelf ideeën opkomen die tot activiteiten en handel leiden. En dus moet er ruimte zijn ook in regelgeving, om dat toe te laten. Met dichtgeregelde bestemmingsplannen had Saunders begrijpelijkerwijs dus ook niet veel op.

Ik voelde mij verreweg het meest thuis bij insteek van Saunders. En overtuigend was het ook weer niet. Zijn premisse is dat bewoners een groot vermogen hebben om zelf onderling conflicten op te lossen, regels te stellen, kortom: het samenleven vorm te geven. Ik vraag me af of je dat zo generalistisch als uitgangspunt kan nemen. Wie opeens ingeklemd komt tussen de etensluchten van twee naburige restaurantjes en niet vaardig is dat bespreekbaar te maken, heeft een probleem. Of zou, in de opvatting van Sanders, zo iemand dan moeten verhuizen om het grotere goed van de dynamiek in de stad te bewaken?

Op dit menselijke aspect ging de documentaire helaas onvoldoende in. Ook al wees de bioloog Geoffrey West er terecht op dat het vaak over concepten gaat en niet over de mensen die er moeten wonen. Dat werd fraai geïllustreerd toen een voorganger van de Ikeanen werd gevraagd wat hij er van vond als bewoners buiten zijn concept van gemeenschapsvorming om iets gingen doen. Hij reageerde met een mengeling van afgrijzen en ongeloof: dan was er sprake van mislukking. Hij had dan gefaald.

In het kamp van Ikea plaats ik ook de pogingen van Siemens die ergens in een woestijn (hoe ironisch) bezig is de stad van de toekomst te bouwen. Nu bewoond door studenten. De insteek van Siemens is wel een realistische: als grondstoffen opraken, energie en water schaars worden, hoe houden we steden dan bewoonbaar? Feitelijk gingen zij door middel van technische foefjes aan het rantsoeneren. Wie te veel electriciteit of water verbruikte kreeg een waarschuwing. Dat lijkt verdacht veel op het moralisme dat Ikea toonde in haar denken. En tegelijk grijpt het in op de privé-sfeer doordat er toezicht is. Na de camerabewaking in het publieke domein, de controle die via internet kan worden uitgeoefend, is het en nieuwe vorm van inkapseling. En tegelijk is het ook realistisch te denken dat het een onontkoombare noodzaak wordt. Want het aan de markt overlaten betekent dat het prijsmechanisme de verdeling organiseert en dat heeft scherpe onrechtvaardige kanten.

En zo blijkt de tegenstelling toch misschien minder groot. De stad van de toekomst zal een duurzame moeten zijn. Sociaal gemeenschapsleven en lokale economie faciliteren is moeilijk als basale behoeften voor energie en water een dagelijkse zorg zijn. Dat in Londen 1 op de 3 liter drinkwater weglekt door verrotte waterleidingen was in dit opzicht shockerend en geruststellend: met de nodige investeringen kan er op dat vlak veel efficiëntie worden gewonnen.

Het zou interessant zijn als de Ikeanen en Saunders ook hun licht over de duurzaamheidsvragen hadden mogen schijnen. Wat ooit in de negentiende eeuw begon als disciplinering van de lagere sociale klassen, krijgt in de Siemens-benadering een vervolg met gedrag-instruerende waarschuwingen en prikkels. Dit keer niet om ‘sociaal aangepast’ te leven, maar uit noodzaak om schaarse grondstoffen te delen. Gaat iedereen dat zonder meer accepteren? Ligt dat in het Westen anders dan in China? En zou dan de benadering van de Ikeanen hierin succesvoller zijn dan de opstelling van Saunders? Ik voorzie nog moeilijke keuzes…

Blekers strijd

Kan dat, zeggen dat het in de toekomst anders moet maar voorlopig doorgaan op dezelfde voet? Is dat de sleutel tot het herwinnen van vertrouwen? Het CDA meent van wel. Ik denk van niet. We gaan het huis in de toekomst blauw schilderen, maar nu zijn we bezig het rood te maken en daar gaan we nog een tijdje mee door; dat is wat het CDA haar kiezers vertelt. En bij deze verwarrende boodschap moet een leider gevonden worden. Een leider die zowel het rood maken van het huis als het blauw maken ervan kan verdedigen. Ga er maar aan staan. Dat is stevig oefenen in loze zinnen als: “We hebben offers gebracht voor het landsbelang en kiezen nu weer onze eigen weg.”  Nou ja, de zin zelf is niet zo loos, maar wel de afzender. Het CDA heeft namelijk haar electoraat niet ervan overtuigd dat ze mee is gaan regeren uit landsbelang. De indruk is te hardnekkig dat het een machtskeuze is geweest om er als partij groter en sterker uit te komen. En dat is een miscalculatie geweest, zo geven de peilingen aan. Maar geen politicus natuurlijk die peilingen serieus neemt, toch?

Personificatie van die ‘verkeerde’  keuze is Maxime Verhagen. Hij heeft er een imago mee gekregen, of versterkt, want niets ontstaat zo maar, van een niet te vertrouwen, met twee monden pratende politicus. Die naam had Lubbers trouwens ook maar hij hield dat klein door de beeldvorming ook met andere kwaliteiten te laden. Dat is Verhagen niet gelukt. Dit maakt voor Verhagen de nederlaag dubbel: de partij niet gered en zijn gedeukte imago geen nieuwe glans gegeven. En dus zoekt het CDA een leider die wel bij de verwarrende boodschap past.

Niet opmerkelijk dus dat Henk Bleker dan wordt genoemd. En dat ook niet in de laatste plaats dankzij zijn eigen inspanningen. Bleker is met Verhagen de architect van het minderheidskabinet. Tegelijk heeft hij het vrijgevochtene, het tikkeltje optimistische onverantwoordelijke, van een schilder die nu nog met rood verft en tegelijk het mooi weet te vertellen dat het toch straks allemaal blauw zal zijn. CDA-leider kan hij, denk ik, prima zijn, maar van een CDA-leider wordt door CDA’ers altijd (nog steeds? ik vrees van wel) verwacht dat hij het land gaat leiden. En of het CDA-electoraat de vraag of Bleker dat is toevertrouwd in voldoende meerderheid positief zal beantwoorden is zeer onzeker. Hij heeft daarvoor niet een echt overtuigend track-record opgebouwd als staatssecretaris. Als Bleker echt wil (en daar is weinig onzekerheid over) is het zijn strijd zich de komende maanden een duidelijker imago aan te meten. Hij heeft het in zich te zijn zoals een frivole Van Agt in zijn dagen (“ik ben een amateur in de politiek”) en met een geloofwaardig gespeelde naïviteit te reageren en te acteren. Ik drukte de associatie wat weg, maar schrijf het nu toch op, komt ook doordat ik Van Agt erbij haal: het CDA heeft eigenlijk behoefte aan een clown. Fortuyn, Verdonk, Wilders: het zijn politieke clowns die rolvast hun boodschap brengen, vaak wereldvreemd, afwijkend van Haagse mores, en daardoor ook aantrekkelijk voor hordes op drift geraakte kiezers.

De verwarrende boodschap waar het CDA zich nu mee op heeft opgezadeld moet de komende jaren verteld worden door een figuur van wie congruentie verwacht kan worden maar daarin zo herkenbaar is dat hij geloofwaardig is. Bleker kan die clowneske rol spelen en wie weet waar dit hem en zijn partij brengt.

Wet op Uitgestelde Teleurstelling

Zal 2012 het jaar worden waarin Poetin alsnog van het politieke toneel in Rusland verdwijnt en dit toneel meer werkelijkheid en minder fictie gaat kennen? En zal in 2012 in Egypte de lente wel definitief doorbreken, evenals in Libië en Tunesië? Wordt Obama herkozen? En nemen de Chinezen via Weibo definitief afscheid van de tucht en orde die ‘hun’ communistische partij hen oplegt? En is eind 2012 de eurocrisis vooral een akelige herinnering, net als het kabinet van CDA, VVD en PVV?

We zijn geneigd altijd te optimistisch te zijn. Ik tenminste. Dus als ik de vragen zou vervangen door stellige overtuigingen neem ik een zware hypotheek op mijn persoonlijke gemoedsrust. En zware hypotheken zijn ongezond. Dat hebben de afgelopen jaren me wel geleerd. Konden we de toekomstverwachting maar op huurbasis aannemen en medio 2012, als het tegenvalt of juist meevalt, verkassen naar een nieuwe verwachting. In gelul schijn je niet te kunnen wonen, maar in verwachtingen is het soms goed toeven. Daar kun je aardig gesust door worden. Tot het gordijn van Actualiteit ruw open gaat en je je verwachting ziet verdwijnen als mist opgejaagd door de zon.

Maar goed, dit alles is hypothetisch en metagnomie is niet mijn ding. Op 2012 zal ik waarschijnlijk met net zo veel wrevel en teleurstelling terugkijken als 2011. Dat weet ik bijna als een wetmatigheid omdat voor 2011 zich jaren heb neergelegd die eenzelfde soort van gevoelens en gedachten achter hebben gelaten. En toch klinkt me dat ook weer te somber. Want al telt elk jaar afzonderlijk toch weer zijn dikke zware randen: decenniumgewijs voel ik me toch positief gestemd. Dat lijkt een vreemde tegenspraak. De som van de grijze delen is een soort van wit. Dat klinkt naar de geheime toverformule waar Keuringsdienst van Waren onlangs naar zocht toen ze wilde verklaren hoe uit massa’s grijs gerecycled papier stralend wit WC-papier gefabriceerd wordt. Filteren, filteren en filteren, zei de fabriek. Een stiekem afgeluisterd telefoongesprek wees uit dat dat niet alles was. Misschien dat mijn toverformule in het geheugen ligt en de wens om hoop te hebben. Daardoor kan ik me elk jaar nooit onttrekken aan teleurstelling over wat er wel en juist niet is gebeurd, terwijl over een groter tijdsvlak beschouwd ik allerlei hoopgevende ontwikkelingen zie.

Maar wie weet (zegt die hoopvolle stem in mij) breekt 2012 de Wet op de Uitgestelde Teleurstelling en zie ik over 12 maanden mooie antwoorden op al die boeiende vragen waar ik mijn blog mee begon.

Overpeinzingen


De veronderstelling dat GroenLinks in Utrecht de eeuwige tweede is kan eindelijk bij het afval; met ruim 20% van de stemmen is de partij als grootste uit de stembusstrijd gekomen. Het is wel bij een opkomst van 52%, lager dan ooit in een regulier raadsverkiezing. Bijna 1 op de 2 Utrechters vond het niet nodig te stemmen. Dat is een zorgwekkend feit. Voor Utrecht betekent de uitkomst dat er op de as GroenLinks – D66 met een derde partij een stabiele coalitie is te maken. Mits men komt tot enkele heldere doelen en niet het hele kleurenspectrum van onderwerpen vooraf wil vastleggen. De forcing die GroenLinks heeft gepoogd te maken op het terrein van luchtkwaliteit, en waar ze in stuk liep door gewijzigde opstelling van PvdA en CDA, moet nu alsnog doorgevoerd worden. Zeker na de collegebreuk op dit onderwerp is dat een niet weg te frommelen helder doel voor de partij.
Al wint GroenLinks virtueel zetels in de Tweede Kamer, en procentueel lokaal, in de meeste gemeenten verliest de partij een zetel of behoudt het huidige aantal. Het geeft de Utrechtse uitslag extra reliëf. En die in Nijmegen, Rotterdam en Amsterdam trouwens ook. Het beeld dat GroenLinks een grote stedenpartij is, is wederom bevestigd. Het CDA, als contramal, verliest steeds meer voet aan de grond, nu bijvoorbeeld door twee zetels verlies in Den Haag, zetelverlies in Almere en geen winst in de andere grote steden.
Met negen partijen in de Utrechtse raad verandert er niet veel aan de bestuurbaarheid. Er zijn veel gemeenten die reiken tot negen partijen. De gemeenten die hier over heen schieten krijgen het, zeker als het totaal aantal zetels beperkt is, zwaar. Apeldoorn telt nu 11 partijen, twee meer dan de afgelopen jaren. Dat zijn per agendapunt 11 mondelinge bijdragen, 11 maal X interrupties, en 11 maal X wijzigingsvoorstellen. Sint Michielsgestel krijgt het nog zwaarder met 12 partijen over in totaal 21 zetels. Het is wat de bevolking wil, kun je zeggen. Maar er is een eind aan de rek die het bij elkaar zetten van particuliere belangen (elke partij heeft een eigen klank) ter behartiging van het algemene belang heeft. En het vergroot ook niet de duidelijkheid voor burgers om te volgen wat er met hun stem uiteindelijk is gedaan. Voor mij is een hogere kiesdrempel geen taboe. En dat vind ik niet in de nu zalige wetenschap dat GroenLinks in Utrecht daar voorlopig geen last van heeft.

Uitglijder


Eurlings had het vermoedelijk vooraf wel bedacht, maar niet doordacht. En in de verdediging afgelopen dinsdag kwam het argument ‘ANWB’ bij de les houden haaks te staan op het andere argument ‘draagvlak’. Waren er signalen dat de ANWB de boot van het rekeningrijden gaat verlaten? Niet dat het publiek of de Tweede Kamer wist. Dus wat houdt dat ‘bij de les houden’ dan in? Gold die opmerking het bestuur of de leden? Verwarrend. Terwijl het hele onderwerp vereist dat elke stap steeds zo open en helder mogelijk gezet wordt. Elk spoortje mist waarin vreemde interpretaties en ideeën kunnen ontstaan moet voorkomen worden. Het argument ‘draagvlak’ was een open deur, maar op deze wijze zeer onhandig gebracht. Had Eurlings dit gezegd: “U zult met mij beseffen dat we dit belangrijke kabinetsbesluit niet zonder draagvlak uit gaan voeren. Ik heb gezien dat de ANWB een goede, afgewogen enquête heeft over het onderwerp. Deze is door leden én, ik herhaal, én niet-leden in te vullen. Ik roep alle Nederlanders op die enquête in te vullen” was er mogelijk ook rumoer geweest (er is altijd rumoer), maar was zijn verdediging veel logischer en dus overtuigender. Niet doordacht, denk ik dan, als toeschouwer én (ik herhaal) én autorijder. Wel natuurlijk daags daarna die enquête ingevuld.
Goed, uitglijder, domdomdom, beeld hersteld dat minister dubbele agenda voert, klaar. Klaar?
Gisteren beluisterde ik op de radio een meninggever over de enquête die zei dat de opstellers ervan zelf erg voor de heffing zijn. So what, denk ik dan, want de vragenlijsten zelf bieden alle gangbare argumenten voor en tegen. Het bracht me wel weer terug bij dat raadselachtige ‘bij de les houden’ van de ANWB. Was het misschien zo dat Eurlings hier zijn teleurstelling over de slappe enquête had uitgesproken en wilde hij de wielenorganisatie prikkelen tot meer ferme standpunten, bij voorkeur afwijzend? Eurlings gaat voor zwart of wit, zo heb ik de minister leren kennen. Dus softe vragenlijsten wekken zijn irritatie.
Ik tast natuurlijk volledig in het duister van de ministeriële krochten. Echter mijn vermoedens kregen vandaag wel bevestiging met het bericht dat ANWB nu alsnog overweegt en referendum onder de leden te houden over het rekeningrijden. En dan kan er gewoon ja of nee gezegd worden. Ergo, stop maar met het invullen van die softe vragenlijst, weg met dat gezever van Van Woerkom (directeur ANWB) dat rekeningrijden zich niet leent voor een simpel ja/nee, wij zeggen Eurlings straks gewoon of we het willen of niet, was getekend: ANWB.
Ik ben nu al benieuwd naar de memoires van Eurlings.

De stropdas van Obama


Het viel me laatst op: president Obama die persconferenties geeft of een verklaring aflegt zonder stropdas. Nu heb ik er nooit zo op gelet, maar ik kan me geen Bush of Clinton herinneren die bij deze gelegenheden ook hun stropdas achterwege lieten. Een president van de Verenigde Staten draagt een stropdas, punt. Obama breekt die dresscode of dressforecast. En waarom? Mij zegt het dat hij ontspannen is, niet verkrampt bezig is dé president te zijn. Relax, lijkt hij te willen zeggen. Opposanten zullen het uitleggen als teken van een laconiek karakter, van zwakheid. De vijand moet zien dat Amerika en zijn president 24 uur per dag, zeven dagen per week paraat is, combat ready. En dan draag je dus je volledige tenue.
Ik prijs Obama om zijn keuze. Want ik weet zeker dát het een bewuste keuze is. Niets is toeval op dat niveau. Het geeft wel lading aan het moment dat de stropdas weer om is. De rechtse druk om de muren rond de VS weer hoog op te trekken is sinds de mislukte aanslag op tweede kerstdag rap toegenomen. Obama beweegt mee en loopt het risico in dezelfde zuigkracht te geraken als waar Bush zich in heeft laten meevoeren: het idee nastreven dat je land veilig kan zijn tegen aanslagen. Veiligheid als het allerhoogste goed, een maakbaar overheidsproduct. Ik geloof daar niet in. Ik geloof niet in gezagsdragers als Opstelten en Ter Horst die als respectievelijk burgemeester en minister veiligheid beloofden en beloven als we maar onze privacy opgeven. Dat lijkt toch verdacht veel op de ouderling die om God te dienen wil weten wat er achter de voordeur omgaat.
Bij Obama heb ik nog de hoop dat zijn recente uitspraken en besluiten tactische manoeuvres zijn omdat hij ook, in alle ontspannenheid, weet dat hij zijn land nooit die veiligheid kan garanderen die de oppositie hem nu opdringt. Verbindt hij zich met stropdas toch aan die heilloze missie of blijft hij ongebonden, stropdasloos een reëler perspectief nastreven. De tijd zal het leren.

Ex


Ik wist het ook niet, maar de positie van ex-bestuurders op de arbeidsmarkt is slecht. Dat ligt aan beide kanten. Veel werkgevers zien het wethouderschap als een onderbreking van een carrière. Veel wethouders zien het juist als een stap voorwaarts en menen logischerwijs meer te kunnen dan voordat ze het ambt bekleedden. Werkgevers hebben daarbij de zorg dat wethouders niet gewend zijn onder andere bestuurders te werken. Of zoals een provinciale ambtenaar zei die ik daarover vorige week hoorde: als je als ambtenaar het dédain hoort waarmee jouw bestuurders over ambtenaren praten ben je zo vertrokken. Ex-wethouders denken dat ze directeur van een instelling kunnen worden, maar dat vraagt ook kennis en vaardigheden die je als wethouder in ieder geval niet opdoet.
Kortom, het schuift en schuurt stevig langs elkaar: werkgevers met werk en voormalige wethouders met werkzin. De oplossing is niet ‘een beter imago’ voor de ex-bestuurders. De oplossing is een beetje dat er meer bekendheid wordt gegeven aan ex-wethouders op een nieuwe werkplek die bestaande vooroordelen omver halen. En de oplossing is ook een beetje dat wethouders die de fase van ‘ex’ betreden hun verwachtingen vooral baseren op wat ze deden voordat ze wethouder werden. Dat laatste is mij gelukt, nu nog dat geslaagde voorbeeld zien te worden…

Vallen


De tijd van vallen is aangebroken. Voorop gaat de DSB-bank uiteraard. Scheringa heeft zijn hand overspeeld met al die hobbies, en eigen gerief voor laten gaan op trefzekere bedrijfsvoering. Los nog van enkele morele aspecten bij de verkooptactieken.
Burgemeester Vreeman gaat ook omvallen. Hoe nobel zijn verdediging ook klinkt, als de raad dit accepteert zet het de deur open voor meer van dit type grijze handelwijzen. Dat moet je niet willen. Er zit ook hoogmoed bij door aan te nemen dat alleen jij ‘de waarheid’ aan kan en anderen niet.
Burgemeester Leers gaat ook omvallen, schat ik in. Het is zonneklaar dat je als bestuurder geen zakelijke of commerciële deal aangaat met een (top)ambtenaar die voor je werkt of direct met je werk heeft te maken. De integriteit van het openbaar bestuur is uitermate kwetsbaar en vereist grote omzichtigheid. Leers lijkt een te groot zelfbewustzijn te hebben gekregen dat hij dit uit het oog is verloren.
Wie ook het veld zou moeten ruimen is de voorzitter van voetbalvereniging Gestel. Hij noemde de vechtpartij afgelopen weekend, waarvoor tot vandaag zijn zoon nog in de politiecel verbleef, ‘niets bijzonders’. Dat gebeurde overal in Nederland, zo bagatelliseerde hij. Zou hij ook zo laconiek zijn als hij op straat wordt aangevallen en beroofd en de agent die zijn aangifte moet noteren schouderophalend zou zeggen: ach, niets bijzonders, gebeurt zo vaak elke dag…