Steden bouwen

Het programma Tegenlicht bood gisteravond (wederom) een boeiende documentaire. Het ging over de stad van de toekomst. Dat klinkt als ver weg, maar zeker bij stedenbouw en planologie is toekomst een betrekkelijk onmogelijk begrip. Er komen bij stedenbouw zo veel trends en ontwikkelingen samen dat regressie, progressie, evolutie en spurt, elkaar in een bonte potpourri gezelschap houden. Waar begint dan precies de toekomst?

Gaandeweg de uitzending kwamen er twee opvattingen tegenover elkaar te staan. Een uit Zweden, door Ikea gefinancierde onderneming (Landprop) streeft het ideaal van de maakbare gemeenschap na. Stedebouw houdt bij de Ikeanen niet op als de laatste steen is gelegd. In hun visie blijft de stedebouwer de gehele levensduur van het onroerend goed verantwoordelijk voor de gemeenschap die er gebruik van maakt.

De auteur van Arrival City (Trek naar de Stad), Doug Saunders, betoogde juist dat planning en regelgeving gematigd moet worden en stedenbouwers en overheden een mate van anarchie moeten accepteren. Hij onderbouwde die opvatting met enkele herkenbare opmerkingen. Zoals dat de wijken die in de jaren vijftig en zestig zijn gebouwd, gekenmerkt worden door (zijn woorden) ‘akelige groene grasvelden’ en geen ontmoeting, geen informatie-uitwisseling, geen handel et cetera faciliteren. Zijn ideaal is een stad waar je zo veel met elkaar te maken hebt dat er vanzelf ideeën opkomen die tot activiteiten en handel leiden. En dus moet er ruimte zijn ook in regelgeving, om dat toe te laten. Met dichtgeregelde bestemmingsplannen had Saunders begrijpelijkerwijs dus ook niet veel op.

Ik voelde mij verreweg het meest thuis bij insteek van Saunders. En overtuigend was het ook weer niet. Zijn premisse is dat bewoners een groot vermogen hebben om zelf onderling conflicten op te lossen, regels te stellen, kortom: het samenleven vorm te geven. Ik vraag me af of je dat zo generalistisch als uitgangspunt kan nemen. Wie opeens ingeklemd komt tussen de etensluchten van twee naburige restaurantjes en niet vaardig is dat bespreekbaar te maken, heeft een probleem. Of zou, in de opvatting van Sanders, zo iemand dan moeten verhuizen om het grotere goed van de dynamiek in de stad te bewaken?

Op dit menselijke aspect ging de documentaire helaas onvoldoende in. Ook al wees de bioloog Geoffrey West er terecht op dat het vaak over concepten gaat en niet over de mensen die er moeten wonen. Dat werd fraai geïllustreerd toen een voorganger van de Ikeanen werd gevraagd wat hij er van vond als bewoners buiten zijn concept van gemeenschapsvorming om iets gingen doen. Hij reageerde met een mengeling van afgrijzen en ongeloof: dan was er sprake van mislukking. Hij had dan gefaald.

In het kamp van Ikea plaats ik ook de pogingen van Siemens die ergens in een woestijn (hoe ironisch) bezig is de stad van de toekomst te bouwen. Nu bewoond door studenten. De insteek van Siemens is wel een realistische: als grondstoffen opraken, energie en water schaars worden, hoe houden we steden dan bewoonbaar? Feitelijk gingen zij door middel van technische foefjes aan het rantsoeneren. Wie te veel electriciteit of water verbruikte kreeg een waarschuwing. Dat lijkt verdacht veel op het moralisme dat Ikea toonde in haar denken. En tegelijk grijpt het in op de privé-sfeer doordat er toezicht is. Na de camerabewaking in het publieke domein, de controle die via internet kan worden uitgeoefend, is het en nieuwe vorm van inkapseling. En tegelijk is het ook realistisch te denken dat het een onontkoombare noodzaak wordt. Want het aan de markt overlaten betekent dat het prijsmechanisme de verdeling organiseert en dat heeft scherpe onrechtvaardige kanten.

En zo blijkt de tegenstelling toch misschien minder groot. De stad van de toekomst zal een duurzame moeten zijn. Sociaal gemeenschapsleven en lokale economie faciliteren is moeilijk als basale behoeften voor energie en water een dagelijkse zorg zijn. Dat in Londen 1 op de 3 liter drinkwater weglekt door verrotte waterleidingen was in dit opzicht shockerend en geruststellend: met de nodige investeringen kan er op dat vlak veel efficiëntie worden gewonnen.

Het zou interessant zijn als de Ikeanen en Saunders ook hun licht over de duurzaamheidsvragen hadden mogen schijnen. Wat ooit in de negentiende eeuw begon als disciplinering van de lagere sociale klassen, krijgt in de Siemens-benadering een vervolg met gedrag-instruerende waarschuwingen en prikkels. Dit keer niet om ‘sociaal aangepast’ te leven, maar uit noodzaak om schaarse grondstoffen te delen. Gaat iedereen dat zonder meer accepteren? Ligt dat in het Westen anders dan in China? En zou dan de benadering van de Ikeanen hierin succesvoller zijn dan de opstelling van Saunders? Ik voorzie nog moeilijke keuzes…